Tekst besluit niet duidelijk, verschoonbare termijnoverschrijding CRvB 4 januari, 2012 11/1852 WW-T, LJN: BV0244
Sociale zekerheid.25-01-2012
De tekst van het primaire besluit van het UWV aan betrokkene inzake de weigering van een WW-uitkering laat volgens de Centrale Raad van Beroep aan duidelijkheid te wensen over. Hierin is niet uitdrukkelijk vermeld dat betrokkene een maatregel wordt opgelegd wegens verwijtbare werkloosheid, dan wel het plegen van een benadelingshandeling. Voor betrokkene bestond er tijdens de ontvangst van het besluit daarom geen reden om bezwaar te maken tegen de inhoud van dat besluit. Eerst nadat de betaling van de uitkering in de maand mei 2010 was uitgebleven en betrokkene hiernaar op 1 juni 2010 bij het UWV navraag had gedaan, was hem duidelijk dat een maatregel was opgelegd. De maatregel bestond uit de weigering van de uitkering over de maanden maart en april 2010. Onder deze omstandigheden kan het betrokkene niet tegengeworpen worden niet eerder dan op 1 juni 2010 bezwaar te hebben gemaakt. De termijnoverschrijding is dan ook verschoonbaar. Het UWV dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Betrokkene heeft met ingang van 1 maart 2010 een WW-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft hem bij besluit van 25 maart 2010 onder meer het volgende meegedeeld: “Om ervoor te zorgen dat u inkomen heeft, krijgt u met ingang van 1 maart 2010 een WW-uitkering. Als er niets in uw situatie verandert, krijgt u die uitkering tot en met 30 juni 2011. Bij de beoordeling van uw aanvraag is gebleken, dat u ontslag heeft genomen zonder dat dit noodzakelijk was. Daardoor bent u verwijtbaar werkloos geworden. Als u niet verwijtbaar werkloos was geworden, had u nog tot en met 30 april 2010 bij uw werkgever in dienst kunnen blijven. Daarom kunnen wij uw WW-uitkering pas vanaf 1 mei 2010 uitbetalen (…)”.
Over de hoogte van de uitkering schrijft het UWV: “Als er niets in uw situatie verandert, krijgt u gedurende de eerste twee maanden een WW-uitkering van 75% van € 122,28, dat is dan € 91,71 bruto per dag. Vanaf 1 mei 2010 wordt uw WW-uitkering 70% van € 122,28, dat is dan € 85,60 bruto per dag. (…)”.
Betrokkene heeft tegen dit besluit bij brief van 1 juni 2010 bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dit bezwaar ongegrond verklaard, omdat het te laat was ingediend. Ook het beroep voor de rechtbank wordt ongegrond verklaard; er is volgens de rechtbank geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
In hoger beroep voor de Centrale Raad van Beroep heeft betrokkene herhaald dat hij door de tekst van het besluit van 25 maart 2010 in verwarring is gebracht over de inhoud van de hem opgelegde maatregel en dat hij daarom pas op 1 juni 2010 bezwaar heeft gemaakt. De Raad dient nu te beoordelen of de overschrijding van de termijn verschoonbaar was. De Raad oordeelt dat de tekst van het besluit van 25 maart 2010 aan duidelijkheid te wensen overlaat. Hierin is immers niet uitdrukkelijk vermeld dat betrokkene een maatregel wordt opgelegd wegens verwijtbare werkloosheid dan wel het plegen van een benadelingshandeling. Het hanteren van de term ‘krijgen van uitkering’ naar aanleiding van een aanvraag daartoe lijkt te impliceren dat de betrokkene recht heeft op uitkering en dat deze ook betaald zal worden. Uit de zinsnede ‘Daarom kunnen wij uw WW-uitkering pas vanaf 1 mei 2010 uitbetalen’ blijkt bovendien niet duidelijk dat betrokkene weliswaar recht heeft op WW-uitkering over de maanden maart en april 2010, maar dat dit recht niet geldend kan worden gemaakt in verband met het opleggen van een maatregel en de uitkering dus ook niet wordt betaald over die maanden. Het besluit vermeldt ook niet op grond van welke wettelijke voorschriften het is genomen. Een en ander in samenhang bezien met de in het besluit vermelde ingangsdatum en de mededeling onder het tussenkopje “De hoogte van uw uitkering” dat betrokkene, als er niets in zijn situatie verandert, gedurende de eerste twee maanden een WW-uitkering krijgt van 75% van € 122,28, heeft betrokkene kunnen begrijpen dat hij met ingang van 1 maart 2010 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze pas in de maand mei 2010 zou worden betaald. Voor hem bestond er daarom tijdens de ontvangst van het besluit van 25 maart 2010 geen reden om bezwaar te maken tegen de inhoud van dat besluit. Pas nadat de betaling van de uitkering in de maand mei 2010 was uitgebleven en hij hiernaar op 1 juni 2010 bij het UWV navraag had gedaan, was hem duidelijk dat een maatregel was opgelegd. De Raad oordeelt dat het betrokkene niet kan worden tegengeworpen niet eerder dan op 1 juni 2010 bezwaar te hebben gemaakt en acht de termijnoverschrijding dan ook verschoonbaar.
Het UWV dient binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.
(Bron: NDSZ Nieuwsbrief 2012/03)
« Terug naar overzicht nieuws



