Sdu UitgeversScherp in Bestuursrecht linkedinScherp in Bestuursrecht twitterRSS Contact Home

Nieuws


Revisievergunning en geluidhinder van en naar inrichting; Externe veiligheid en stofexplosie

Geluid, Externe veiligheid.
13-02-2012

Bij besluit van 4 oktober 2010 hebben GS van Noord-Brabant aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, lid 1 van de Wet milieubeheer verleend voor mengvoederfabriek te Ravenstein. In beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt. Revisievergunning en geluidhinder van en naar inrichting (r.o. 2.13.3) [Appellant] voert aan dat ten onrechte niet de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting is beoordeeld. Volgens hem volgt uit de Circulaire "geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting: beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 29 februari 1996 (hierna: de Circulaire) dat ook wat betreft de op een gezoneerd industrieterrein gelegen inrichting de geluidemissie van verkeer van en naar de inrichting bij de beoordeling dient te worden betrokken. Weliswaar wordt er in de jurisprudentie van de Afdeling van uitgegaan dat wanneer een inrichting op een gezoneerd industrieterrein is gelegen, de geluidemissie van het verkeer van en naar de inrichting niet hoeft te worden beoordeeld, maar daar dient in dit geval van te worden afgeweken, omdat de inrichting waarvoor vergunning is verleend het enige bedrijf is dat op het gezoneerde industrieterrein is gelegen, aldus [appellant]. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat, nu de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein het verkeer op de openbare weg, op of buiten het gezoneerde industrieterrein niet wordt getoetst. De Afdeling heeft eerder overwogen, onder meer in de uitspraak van 13 oktober 1997, nr. E03.96.0906, AB 1998, 29, dat de geluidimmissie vanwege verkeersbewegingen op een openbare weg op of buiten het industrieterrein van en naar een inrichting op een gezoneerd industrieterrein, niet getoetst wordt aan: a. de voor de inrichting geldende equivalente en piekgeluidgrenswaarden; b. de in de Circulaire neergelegde normstelling inzake geluidhinder die wordt veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting. Wanneer dit wel zou gebeuren, zou het speciale regime van de Wet geluidhinder volgens de Afdeling worden doorkruist. De Afdeling heeft in de uitspraak van 21 januari 2009 in zaak nr. 200801444/1 overwogen dat het gegeven dat naast de inrichting op het industrieterrein geen andere inrichtingen zijn gelegen dit niet anders maakt. Er is geen aanleiding ter zake tot een ander oordeel te komen, zodat de beroepsgrond faalt. Externe veiligheid en stofexplosie (r.o. 2.22.3) [Appellant] voert aan dat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld wat het risico is voor omwonenden in geval zich een stofexplosie voordoet. Hij wijst in dit verband op de gevaarlijke stoffen die in de inrichting worden toegepast. Het college heeft de externe veiligheid aan de hand van de Nederlandse Praktijk Richtlijn 7910-2: Gevarenzone-indeling met betrekking tot ontploffingsgevaar- deel 2: Stofontploffingsgevaar; gebaseerd op NEN-EN 50281-3 (hierna: NPR 7910-2) beoordeeld. Het college heeft in het bestreden besluit gesteld dat deze richtlijn is afgestemd op Europese (ATEX)richtlijnen en normen, die betrekking hebben op gevarenzone-indeling. Bij de aanvraag is een explosieveiligheidsdocument (hierna: EVD) gevoegd. In het EVD is de inrichting getoetst aan de Europese richtlijnen ATEX 137. In het EVD is beschreven in welke gebouwdelen stofexplosiegevaar bestaat. Ten behoeve hiervan is een zone-indeling gemaakt. Voorts is vermeld welke voorzieningen en maatregelen getroffen dienen te worden in de gebouwdelen waar risico op stofexplosie aanwezig is. Het college stelt zich op het standpunt dat de vergunning met betrekking tot het aspect externe veiligheid verleend kan worden onder het stellen van voorschriften. Het college merkt hiertoe op dat binnen de inrichting wordt gewerkt met poedervormige stoffen, die in een bepaalde verhouding met lucht een explosief mengsel kunnen vormen. De gevolgen daarvan blijven veelal beperkt tot de inrichting zelf. In geval van een zware stofexplosie kan echter ook buiten de inrichting schade ontstaan, met name indien zich op relatief korte afstand van de inrichting kwetsbare objecten bevinden. Hoewel de meeste processen in het productiegebouw plaatsvinden, dat niet op korte afstand van de dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen, kan niet volledig worden uitgesloten dat bij een stofexplosie effecten buiten de inrichting optreden. Door het nemen van brongerichte maatregelen kan de kans op een stofexplosie echter worden geëlimineerd. Uit het bestreden besluit blijkt dat de in de aanvraag opgenomen voorzieningen en maatregelen naar het oordeel van het college toereikend zijn om de kans op een stofexplosie te elimineren. Hetgeen [appellant] aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen. De beroepsgrond faalt. Bron: OpMaat_Omgevingsrecht


« Terug naar overzicht nieuws

Nieuwsbrief

Vul hieronder uw e-mailadres in en wij informeren u over de ontwikkelingen op ScherpinBestuursrecht.

      Social Media

Image3
                                                       Scherp in Bestuursrecht

Image1

Image2

OpMaat_Mobiel
app met de Nederlandse wet- en regelgeving


Tip van de maand

Bestuursrecht en ICT   
 
Image8