Noot mr. dr. Carolus Grütters bij uitspraak «JV» 2011/507
Migratie en naturalisatie.19-01-2012
ABRvS 1 november 2011, 200909256/1/V3, ve11002718 en ABRvS 2 november 2011, 201005875/1/V4, «JV» 2011/507, ve11002721, LJN: BU3412
Uit hetgeen hiervoor onder 2.4 is weergegeven volgt dat de minister de hem bij artikel 11, vijfde lid, van de Vw (oud) verleende bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen vanaf 5?april?1994 uitgeoefend door vreemdelingen een zodanige vergunning te verlenen indien zij aan de voorwaarden van het driejarenbeleid voldeden. Dat betekent dat de uitoefening van deze bevoegdheid ten opzichte van 1 januari 1973 vanaf 5 april 1994 in zoverre is versoepeld. Vanaf 1 januari 2003 heeft de minister deze uitoefening van de hem thans bij artikel 14, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verleende bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen niet meer toegepast. Daarmee is deze toepassing ten opzichte van de door de minister vanaf 5 april 1994 uitgeoefende bevoegdheid om een zodanige vergunning te verlenen aangescherpt. Aangezien, zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen, hetgeen het Hof in het arrest Toprak en Oguz voor recht heeft verklaard ook van betekenis is voor de uitleg van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, volgt daaruit dat het met ingang van 1 januari 2003 niet meer toepassen van de vanaf 5 april 1994 ingetreden verruimde uitoefening van de aan de minister verleende bevoegdheid om op grond van het driejarenbeleid een verblijfsvergunning te verlenen indien aan de voorwaarden van dat beleid is voldaan een bij artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol verboden "nieuwe" beperking vormt.
Volledig bericht
Rechtspraak – LJN: BU3412
Noot
In de uitspraken van 1 november 200909256/1/V3, ve11002718 en 2 november «JV» 2011/507, ve11002721 geeft de Afdeling nadere invulling aan de betekenis van de standstill-bepalingen uit het Associatierecht EEG-Turkije sinds het arrest van het Europese Hof van Justitie in de gevoegde zaken Toprak & Oguz (HvJEU 9 december 2010, C-300/09 en C-301/09, «JV» 2010/70, ve10002230). Die nadere invulling is niet alleen glashelder geformuleerd door de Afdeling, maar zal, mijns inziens, verstrekkende gevolgen hebben.
De strekking van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije is ingevolge artikel 12 om “onderling geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen”. Om dat te realiseren is in artikel 41(1) van het Aanvullend Protocol en in artikel 13 van Besluit 1/80 een standstill-bepaling geformuleerd. Het werkingsgebied van beide standstill-bepalingen is verschillend: artikel 41(1) verwijst naar de ‘vrijheid van vestiging’ en ‘het verrichten van diensten’, terwijl artikel 13 ziet op het vrije verkeer van werknemers en hun gezinsleden. In het arrest Sahin (HvJEG 17 september 2009, C-242/06, «JV» 2009/402, ve09001278) oordeelde het Hof echter dat beide standstill-bepalingen hetzelfde doel hebben en op dezelfde wijze dienen te worden uitgelegd: een verbod op het instellen van nieuwe beperkingen.
Dat leverde de vraag op wat nu als een ‘nieuwe’ beperking dient te worden gezien en welk referentiekader daarbij moet worden gehanteerd. In het arrest Toprak & Oguz legt het Hof uit welke datum als referentiepunt moet worden gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van een “nieuwe” beperking. De Nederlandse overheid had gepleit voor een gefixeerde interpretatie van het datumbegrip, dat wil zeggen om uitsluitend de ingangsdatum van Besluit 1/80 (i.c. 1 december 1980) in aanmerking te laten komen. Dat zou impliceren dat elke verandering in het beleid na die datum genegeerd kon worden omdat elke keer de situatie van 1 december 1980 het referentiepunt zou zijn.
Het Hof volgde die uitleg echter niet en gaf aan dat, gegeven het doel van de associatie om uiteindelijk alle beperkingen op te heffen, versoepelingen in de zin van minder beperkingen sinds 1 december 1980 zijn toegestaan en dat beperkingen sinds die datum niet zijn toegestaan, ook als het om beperkingen gaat van na 1 december 1980 ingevoerde versoepelingen. Hoogenboom formuleerde reeds in zijn noot bij dit arrest («JV» 2011/70, ve10002230) dat een dergelijke interpretatie een dynamisch karakter impliceert. Die constatering lijkt me juist. Het is overigens wel opmerkelijk dat de kwalificatie dynamisch wordt gekoppeld aan het begrip standstill.
In de twee onderhavige zaken besliste de Afdeling op 1 en 2 november 2011, bijna een jaar ná het arrest van Toprak & Oguz, dat het driejarenbeleid als een dergelijke versoepeling moet worden gezien. De afschaffing echter van dat beleid per 1 januari 2003 (TBV 2002/62, ve02001067) moet worden gekwalificeerd als een nieuwe beperking en is derhalve niet toegestaan. Daarom had de minister, volgens de Afdeling, met inachtneming van het driejarenbeleid op het verzoek van de Turkse vreemdeling dienen te beslissen. Op zichzelf genomen is dat goed nieuws. Het driejarenbeleid is in al zijn vormen een buitengewoon effectief beleidsinstrument geweest waarvan de afschaffing (in 2003) bepaald onhandig is geweest. De impliciete stok bijvoorbeeld achter de deur voor de overheid om tijdig te handelen is daarbij verdwenen. Alleen voor Turkse vreemdelingen blijkt dit beleid nu te herleven.
De buitengewoon intrigerende vraag doet zich nu echter voor wat er nog meer aan vreemdelingenbeleidsmaatregelen als versoepelingen in het licht van het associatierecht zijn aan te merken. Het antwoord, zo zou je verwachten, is af te lezen uit de relevante stukken. Die relevante stukken betreffen echter de Vreemdelingencirculaire (Vc) en de veelvuldige tussentijdse wijzigingen zoals die zijn gepubliceerd in de TBV’s. En hoe merkwaardig dit ook moge klinken, er is hoogstwaarschijnlijk nergens meer een volledige set van documenten beschikbaar met betrekking tot de Vc en alle bijbehorende TBV’s waaruit alle versies van de Vc zouden kunnen worden gereconstrueerd vanaf de datum van 1 december 1980; we hebben het dan over de Vc 66, de Vc 82, de Vc 94 en de Vc 2000. Oosterom-Staples & Woltjer signaleren dat ook in hun WODC studie (Toelatings- en Verblijfsvoorwaarden onderdanen Turkije, 2009, ve09001450).
Sites als Opmaat geven keurig de huidige Vc 2000 weer en de voorganger daarvan, dat wil zeggen de Vc 94. Daarvóór echter wordt het uiterst problematisch. Van de Vc 82 en de Vc 66 is zeer weinig beschikbaar behalve enkele momentopnames in de vorm van bewaarde losbladige edities. En wat daarvan bekend is, is beschikbaar via de site van het Centrum van Migratierecht . Het is echter te beperkt om alle opeenvolgende versies van de Vreemdelingencirculaires te kunnen reconstrueren. Er is echter een lichtpuntje. Onlangs is in het kader van een onderzoek van de UvA (Impala) in de archieven van Everaert Advocaten een schat aan informatie boven tafel gekomen. Naar nu pas blijkt heeft Everaert – hoogstwaarschijnlijk als enige – (bijna) alle losbladige vellen die moesten worden uitgenomen (en vervangen) uit de Vreemdelingencirculaire bewaard. Dit is met andere woorden een uitzonderlijke verzameling van unieke exemplaren waar zuinig mee moet worden omgesprongen.
Nadere bestudering van dit materiaal zal veel meer duidelijkheid kunnen geven over al die tussentijdse versoepelingen die ingevolge het associatierecht nog steeds voor Turkse vreemdelingen zullen gelden.
mr. dr. Carolus Grütters, onderzoeker bij het Centrum voor Migratierecht, Radboud Universiteit Nijmegen
(Bron: Nieuwsberichten Migratierecht.nl 2012/32)
« Terug naar overzicht nieuws



