Sdu UitgeversScherp in Bestuursrecht linkedinScherp in Bestuursrecht twitterRSS Contact Home

Nieuws


Interstatelijk vertrouwensbeginsel, AbRS 19 december 2011, nr. 201107474/1/V4

Migratie en naturalisatie.
22-02-2012

Samenvatting De vreemdeling heeft op 27 juli 2009 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in het Eurodac-systeem is gebleken dat hij eerder een asielaanvraag in Italië heeft ingediend. Niet in geschil is dat Italië op grond van de Verordening (EG) 343/2003 verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag. De vreemdeling heeft zich in hoger beroep, onder verwijzing naar diverse stukken op het standpunt gesteld dat de rechtbank heeft miskend dat de minister ten aanzien van Italië niet kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat de asielprocedure in Italië niet voldoet aan het Unierecht en overdracht aan dat land strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De minister had volgens de vreemdeling de behandeling van het asielverzoek dan ook op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening aan zich moeten trekken. Bij uitspraak van 14 juli 2011 (nr. 201009278/1/V3) heeft de Afdeling overwogen dat uit het arrest van 21 januari 2011 van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (JV 2011/68) voortvloeit dat ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM, louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden is. In de onderhavige zaak heeft de vreemdeling zich, evenals in de zaak die heeft geleid tot voormelde uitspraak van 14 juli 2011, reeds in de besluitvormingsfase en in beroep bij de rechtbank op documenten beroepen waarvan niet op voorhand kan worden gezegd dat ze niet relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de in het arrest in de zaak M.S.S. genoemde aspecten aan overdracht in de weg staan. Nu in het besluit een op deze documenten toegespitste standpuntbepaling ten aanzien van de volgens het arrest in de zaak M.S.S. relevante aspecten ontbreekt, zijn deze niet beoordeeld op de in het arrest in de zaak M.S.S. omschreven wijze. De rechtbank kon de minister dan ook niet zonder meer volgen in zijn standpunt dat in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De grief slaagt. Het hoger beroep is reeds daarom kennelijk gegrond. De Afdeling heeft de aangevallen uitspraak vernietigd, het inleidende beroep alsnog gegrond verklaard en het in beroep bestreden vernietigd. De Afdeling bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat de Afdeling, zoals reeds is overwogen in voormelde uitspraak van 14 juli 2011 en om de in die uitspraak genoemde redenen, geen grond ziet voor het oordeel dat de vreemdeling in afwachting van de antwoorden van het HvJEU op de door het Court of Appeal van Engeland en Wales gestelde prejudiciële vragen over de reikwijdte van artikel 3, tweede lid, van de Verordening, niet zou kunnen worden overgedragen aan Italië. Voorts heeft de Afdeling in voormelde uitspraak van 14 juli 2011 overwogen dat ook indien de voorhanden documenten over de situatie in Italië worden beoordeeld op de wijze waarop dat in het arrest in de zaak M.S.S. is gepreciseerd, geen grond bestaat voor het oordeel dat de documenten waar de vreemdeling zich in die zaak op heeft beroepen, tot het oordeel moeten leiden dat hij niet aan Italië mag worden overgedragen. De documenten waar de vreemdeling zich in deze zaak op heeft beroepen geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Ook het persoonlijk relaas van de vreemdeling biedt geen indicaties voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De vreemdeling heeft in Italië immers een asielaanvraag kunnen indienen, naar aanleiding waarvan hij een zogenaamde "sogiorno" heeft gekregen die drie jaar geldig was en aan hem is opvang verleend. De vreemdeling werd in het verleden in Italië dan ook niet bedreigd met uitzetting naar zijn land van herkomst. Evenmin kan uit zijn verklaringen worden afgeleid dat hij eerder in dat land het slachtoffer is geworden van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van de vreemdeling aan Italië een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 dan wel 13 van het EVRM. Volledig bericht
 Raadvanstate.nl (Bron: Nieuwsberichten Migratierecht.nl 2012/185)


« Terug naar overzicht nieuws

Nieuwsbrief

Vul hieronder uw e-mailadres in en wij informeren u over de ontwikkelingen op ScherpinBestuursrecht.

      Social Media

Image3
                                                       Scherp in Bestuursrecht

Image1

Image2

OpMaat_Mobiel
app met de Nederlandse wet- en regelgeving


Tip van de maand

Bestuursrecht en ICT   
 
Image8