Bestemmingsplan en vooroverleg ten onrechte achterwege gelaten; Geen bestuurlijke lus
Ruimtelijke ordening.30-01-2012
Bij besluit van 25 maart 2010 heeft de raad van de gemeente Andijk, thans Medemblik, het bestemmingsplan "Woongebied Andijk, 1e partiële herziening" vastgesteld. In beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt.
GS van Noord-Holland brengen onder meer naar voren dat het plan in strijd met artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) tot stand is gekomen.
Ingevolge artikel 3.1.1, lid 1 van het Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met die diensten van de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn.
De raad heeft erkend dat het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1, lid 1 van het Bro niet heeft plaatsgevonden.
Gelet op artikel 3.1.1, lid 1 van het Bro is de raad in het kader van de bestemmingsplanprocedure verplicht overleg te voeren met de diensten van de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening. Uit hetgeen is weergegeven met betrekking tot de nota van toelichting omtrent deze bepaling, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 november 2010, in zaak nr. 200908901/1/T1/R1, volgt daaruit dat slechts bij hoge uitzondering, indien het duidelijk gaat om een herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, geen overleg zal hoeven plaats te vinden. Een dergelijke uitzondering doet zich in dit geval niet voor, aangezien het plan voorziet in de mogelijkheid om na uitwerking meer dan 200 woningen te realiseren. Het voorgaande klemt te meer nu het college in zijn besluit van 28 oktober 2008 goedkeuring heeft onthouden aan de plandelen die voorzagen in de bouw van 175 woningen in het gebied Molensloot. Voorts is niet gebleken dat het college te kennen heeft gegeven dat in dit geval geen overleg is vereist. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat overleg met de betrokken diensten van de provincie in dit geval ten onrechte achterwege is gelaten.
Met betrekking tot het verzoek van de raad ter zitting om dit gebrek te laten herstellen door toepassing te geven aan artikel 46, lid 6 van de Wet op de Raad van State, overweegt de Afdeling dat zij hiertoe geen aanleiding ziet. In dit verband wijst de Afdeling erop dat het college eveneens terecht heeft aangevoerd dat de raad in strijd met artikel 3.8, lid 4 van de Wro het besluit tot vaststelling van het plan ten onrechte niet onverwijld aan het college heeft gezonden waardoor het college de mogelijkheid is ontnomen om een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 van de Wro te geven. Het beroep van het college is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
Bron: OpMaat_Omgevingsrecht
« Terug naar overzicht nieuws



