Bestemmingsplan en ongeoorloofde staatssteun
Ruimtelijke ordening.22-02-2012
Bij besluit van 20 juli 2010 heeft de raad van de gemeente Horst aan de Maas het bestemmingsplan "De Zumpel-Kloosterstraat-Julianastraat Grubbenvorst" vastgesteld. In beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt.
[Appellant] betoogt dat de financiële en economische uitvoerbaarheid van het plan niet verzekerd is. Hiertoe voert [appellant] aan dat een deel van de gronden waarop de supermarkt is voorzien niet in eigendom is van de gemeente, zodat niet zeker is of deze gronden aan Suyderland kunnen worden geleverd. [Appellant] voert voorts aan dat de gemeente onrechtmatige staatssteun heeft verleend aan Suyderland. Volgens [appellant] zijn de gronden niet volgens een marktconforme prijs aan Suyderland verkocht en wordt Suyderland voorts bevoordeeld met de aanleg van de openbare parkeerplaatsen. Het is niet zeker dat het plan nog rendabel is of dat Suyderland over voldoende financiële middelen beschikt indien de staatssteun terugbetaald moet worden, aldus [appellant]. Voorts rust volgens [appellant] de bewijslast op de raad en Suyderland om aan te tonen dat zij over voldoende financiële middelen beschikt, ook indien de staatssteun terugbetaald moet worden.
De raad stelt zich op het standpunt dat de financiële en economische uitvoerbaarheid van het plan verzekerd is. Volgens de raad zijn de gronden marktconform aan Suyderland verkocht. Voorts is volgens de raad ook geen sprake van onrechtmatige staatssteun, indien ervan uitgegaan moet worden dat staatssteun verleend is, omdat de verleende steun beneden de verruimde de-minimisvrijstelling van € 500.000 valt. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat ook indien geoordeeld moet worden dat sprake is van onrechtmatige staatssteun de financiële uitvoerbaarheid van het plan verzekerd is, omdat Suyderland verklaard heeft de supermarkt en de appartementen en de ondergrondse parkeergarage te realiseren ook als ontvangen steun terugbetaald zou moeten worden.
Ingevolge artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) zijn steunmaatregelen van de lidstaten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.
Ingevolge artikel 108, derde lid, van het VWEU wordt de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen onverenigbaar is met de interne markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.
Een gedeelte van de gronden waarop de supermarkt is voorzien behoorde ten tijde van de vaststelling van het plan de gemeente in eigendom toe. Volgens het kadastrale register heeft de gemeente deze gronden, met een oppervlakte van 1219 m2, in 2007 voor in totaal € 845.000 euro gekocht. Het andere gedeelte van deze gronden, met een oppervlakte van 805 m2, behoorde ten tijde van de vaststelling van het plan Rabobank Maashorst in eigendom toe. Ten aanzien van de verkoop en koop van al deze gronden heeft de gemeente met Suyderland op 10 juni 2010 een zogenoemde Verkoopovereenkomst gesloten. Volgens deze overeenkomst verkoopt de gemeente de gronden waarop de supermarkt is voorzien, voor een koopsom van in totaal € 700.000 aan Suyderland. Voorts is volgens artikel 13 van deze overeenkomst het uitgangspunt dat aanpassingen aan het aangrenzende openbaar gebied door en voor rekening van de gemeente zullen plaatsvinden.
Op 25 januari 2010 is een vrijwaringsverklaring getekend tussen Rabobank Maashorst en Suyderland. Volgens deze vrijwaringsverklaring is het uitgangspunt van het nieuwe centrumplan dat de supermarkt Jan Linders verhuist naar de locatie van de Rabobank en dat de bestaande Rabobankvestiging in Grubbenvorst wordt verplaatst naar beschikbare ruimte in het winkelcentrum "De Zumpel".
In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.
Aan het in 2.5.4 geformuleerde criterium is niet reeds voldaan, indien aannemelijk wordt gemaakt dat de staatssteun die plaats heeft of heeft gehad kan worden teruggevorderd. Zoals de Afdeling heeft overwogen (uitspraak van 13 april 2011 in zaak nr. 200905023/1/R3) dient ook aannemelijk te worden gemaakt dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd op een wijze zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend.
Wat betreft het betoog van [appellant] dat de uitvoerbaarheid van het plan niet verzekerd is omdat een deel van de gronden waarop de supermarkt is voorzien niet in eigendom toebehoort aan de gemeente, overweegt de Afdeling dat Rabobank Maashorst, gelet op de vrijwaringsverklaring, heeft ingestemd met de verplaatsing van de supermarkt naar de locatie van de Rabobank. Gelet hierop ziet de Afdeling in de omstandigheid dat de gemeente ten tijde van de vaststelling van het plan een deel van de gronden niet in eigendom had geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet binnen de planperiode kan worden uitgevoerd.
Voor zover [appellant] betoogt dat ongeoorloofde staatssteun aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, overweegt de Afdeling dat de gemeente alle gronden voor de voorziene supermarkt voor een koopsom van € 700.000 aan Suyderland heeft verkocht, terwijl de gemeente een gedeelte van deze gronden enkele jaren geleden voor € 845.000 heeft gekocht. De gemeente diende voorts ten tijde van de vaststelling van het plan nog de gronden van de Rabobank aan te kopen. Die gronden waren immers ook begrepen in de Verkoopovereenkomst tussen de gemeente en Suyderland. Zij maken ongeveer driekwart uit van de oppervlakte van de gronden die de gemeente reeds in eigendom toebehoren. De raad heeft ter zitting verder verklaard dat de te verkopen gronden voor rekening van de gemeente bouwrijp worden gemaakt. Gelet op deze omstandigheden is aannemelijk dat met de grondtransactie in ieder geval een hoger bedrag aan staatssteun gemoeid is dan het bedrag van € 200.000 dat volgens Verordening 1998/2006 (Pb 2006 L379/5) van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 EG op de minimissteun verleend mag worden zonder een voorafgaande melding bij de Europese Commissie.
Ter zitting is voorts vast komen te staan dat voorafgaand aan de verkooponderhandelingen geen onafhankelijk taxatierapport is opgesteld waarin de marktwaarde van de te verkopen gronden is vastgesteld, en waarbij de bestemmingen betrokken zijn die daaraan in het plan zijn toegekend. Evenmin is in het kader van de verkoop van de gronden een open en onvoorwaardelijke biedprocedure gevolgd. Voorts zou ook sprake kunnen zijn van staatssteun bij de aanleg van het voorziene parkeerterrein en 19 parkeerplaatsen in de Julianastraat door en voor rekening van de gemeente, hoewel deze parkeerplaatsen openbaar toegankelijk zullen zijn, nu de raad ter zitting verklaard heeft dat deze parkeerplaatsen aangelegd zullen worden ten behoeve van de voorziene supermarkt en gelet op de ligging van de parkeerplaatsen in dezelfde straat als de supermarkt aannemelijk is dat voornamelijk bezoekers van de supermarkt gebruik zullen maken van deze parkeerplaatsen.
Voor zover de raad betoogt dat indien ervan uitgegaan moet worden dat staatssteun verleend is, deze onder de verruimde de-minimisvrijstelling van € 500.000 valt, overweegt de Afdeling dat volgens het "Nederlands nationaal kader voor het tijdelijk verlenen van steunbedragen" steun beneden € 500.000 onder bepaalde voorwaarden niet aan de Europese Commissie gemeld hoeft te worden. Het voormelde kader (te raadplegen via www.europadecentraal.nl) is bij beschikking (nr. N 156/2009) "Framework limited amounts of compatible aid" van 1 april 2009 door de Europese Commissie goedgekeurd voor een periode tot en met 31 december 2010 en is gebaseerd op de Mededeling van de Europese Commissie over de tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiele en economische crisis (Pb 2009 C 83/1). Daargelaten het antwoord op de vraag of mogelijk verleende staatssteun onder het bedrag van € 500.000 is gebleven, is niet gebleken dat voldaan is aan de voorwaarden uit het voormelde kader met betrekking tot de controle op de hoogte van het bedrag aan verleende staatssteun.
Gelet op het voorgaande heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat rekening moet worden gehouden met de reële kans dat een aanzienlijk bedrag als ongeoorloofde staatssteun teruggevorderd kan worden. Aannemelijk is voorts dat geen andere marktpartij dan Suyderland het plan zonder ongeoorloofde staatssteun zal willen uitvoeren, omdat Suyderland ter zitting verklaard heeft dat zij, als sprake zou zijn van onrechtmatige staatssteun en deze terugbetaald zou moeten worden, genoegen zal moeten nemen met een rendementsverlies op het plan en het plan specifiek vastgesteld is teneinde de verplaatsing van een bestaande supermarkt mogelijk te maken en weinig ruimte biedt voor een andere invulling.
Gelet hierop heeft de raad zich niet zonder enig inzicht in het bedrag dat als staatssteun teruggevorderd zou kunnen worden en de financiële positie van Suyderland op het standpunt kunnen stellen dat ook indien staatssteun terugbetaald zou moeten worden de uitvoerbaarheid van het plan verzekerd is. De raad heeft ter zitting in dit verband niet kunnen aangeven voor welke koopsom de gronden van de Rabobank zijn gekocht en het verschil tussen de door de gemeente betaalde aankoopprijs van € 845.000 voor een gedeelte van de gronden en de Suyderland in rekening gebrachte verkoopprijs van € 700.000 voor alle gronden niet kunnen verklaren, maar heeft volstaan met de enkele stelling dat geen ongeoorloofde staatssteun verleend is.
Voorts heeft de raad geen blijk gegeven van enig inzicht in de financiële positie van Suyderland. Bij gebrek aan enig inzicht bij de raad is de enkele verklaring van Suyderland ter zitting dat, zo al sprake zou zijn van onrechtmatige staatssteun en deze terugbetaald zou moeten worden, zij desondanks het plan zal uitvoeren, onvoldoende, mede gelet op de reële kans dat een aanzienlijk bedrag aan ongeoorloofde staatssteun teruggevorderd kan worden. Onder deze omstandigheden kan van [appellant] niet gevergd worden dat zij meer aannemelijk maakt dan zij reeds heeft gedaan.
Bron: OpMaat_Omgevingsrecht
« Terug naar overzicht nieuws



