Sdu UitgeversScherp in Bestuursrecht linkedinScherp in Bestuursrecht twitterRSS Contact Home

Nieuws


Aanwijzingsbesluit start- en landingsbaan vliegveld Eelde en geldigheid Beschikking Europese Commissie inzake staatssteun

Ruimtelijke ordening.
21-02-2012

Bij besluit van 15 mei 2001 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de minister van VROM, op grond van artikel 27 van de Luchtvaartwet (hierna: de Lvw), in samenhang met artikel 24 van de Luchtvaartwet, het besluit van 1 oktober 1959 waarbij het luchtvaartterrein Eelde is aangewezen, gewijzigd (hierna: het A-besluit). Bij besluit van gelijke datum heeft de minister van VROM, in overeenstemming met de minister van Verkeer en Waterstaat, toepassing gegeven aan artikel 26 van de Lvw in samenhang met artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) voor het luchtvaartterrein Eelde (hierna: het RO-besluit). In beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt. Ingevolge artikel 93, lid 1 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag) (welk artikel met ingang van 1 mei 1999 hernummerd is tot artikel 88 van het EG-verdrag), thans artikel 108, lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), onderwerpt de Europese Commissie (hierna: Commissie) tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de interne markt vereist. Ingevolge het tweede lid bepaalt de Commissie indien zij, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 107 niet verenigbaar is met de interne markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn [...]. Ingevolge het derde lid wordt de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 107 onverenigbaar is met de interne markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid. [Appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat de Nederlandse autoriteiten de Commissie op belangrijke punten onvolledig, eenzijdig en onjuist hebben geïnformeerd, zodat de Commissie in haar beschikking van 19 november 2009 (nr. C (2009) 8677) (hierna: de beschikking) is uitgegaan van onjuistheden. [Appellant sub 2] noemt achttien punten uit de beschikking die volgens hem onjuist zijn. De Afdeling begrijpt deze grond aldus dat [appellant sub 2] en [appellant sub 3] de onwettigheid van deze beschikking inroepen die mede als grondslag dient voor het bestreden besluit. Bij de beoordeling van deze grond is het volgende van belang. Op 16 december 2003 is een overeenkomst gesloten tussen de Staat, vertegenwoordigd door de minister van Verkeer en Waterstaat, en GAE N.V. over de baanverlenging en de waarde van het luchtvaartterrein van GAE. In die overeenkomst staat dat de Staat aan GAE N.V. een éénmalige bijdrage van afgerond maximaal € 18,6 miljoen betaalt voor de verlenging van de start- en landingsbaan. In de overeenkomst zijn verder de voorwaarden voor betaling van die bijdrage neergelegd. Bij uitspraak van 11 juni 2008, nr. 200603116/1, heeft de Afdeling overwogen dat de bijdrage van € 18,6 miljoen moet worden aangemerkt als staatssteun als bedoeld in artikel 87 van het EG-Verdrag, thans artikel 107 van het VWEU, […]. Naar het oordeel van de Afdeling in die uitspraak hadden de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer daarom de voorgenomen verlening van staatssteun moeten aanmelden, dan wel de Commissie moeten benaderen teneinde zekerheid te verkrijgen dat aanmelding volgens de Commissie niet nodig is. Door dit na te laten, is, zoals in de conclusie van de beschikking wordt aangegeven, in strijd gehandeld met de op Nederland als lidstaat rustende verplichting voortvloeiend uit artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag, thans artikel 108 van het VWEU. In de beschikking heeft de Commissie onder meer besloten dat de overheidssteun ten bedrage van € 18,62 miljoen voor de verlenging van de start-/landingsbaan en van € 2,7 miljoen voor de vernieuwing van het riolerings- en drainagesysteem van de luchthaven verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt overeenkomstig artikel 87, derde lid, onder c, van het EG-Verdrag, thans artikel 107 van het VWEU. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans: het Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna: het Hof) heeft overwogen dat elke verzoekende partij in het kader van een naar nationaal recht ingesteld beroep de onwettigheid moet kunnen inroepen van een Unierechtelijke rechtshandeling die als grondslag dient voor het te zijnen aanzien genomen nationale besluit (arrest van het Hof van 15 februari 2001, C-239/99, Nachi Europe, overweging 35, (www.curia.europa.eu). Verder heeft het Hof overwogen dat elke procespartij het recht heeft de rechtsgeldigheid van een beschikking van de Commissie aan te vechten wanneer zij niet krachtens artikel 230 van het EG-Verdrag rechtstreeks in beroep kon komen tegen deze beschikking (zie het arrest van het Hof van 9 maart 1994, C-188/92,TWD Textilwerke Deggendorf, overweging 23 (www.curia.europa.eu). Volgens artikel 230, vierde alinea van het EG-Verdrag, dan wel, sedert 1 december 2009, artikel 263, vierde alinea van het VWEU kan iedere natuurlijke persoon beroep instellen tegen beschikkingen, dan wel, sedert 1 december 2009, handelingen welke hem, onder meer, rechtstreeks raken. Blijkens vaste rechtspraak van het Hof wordt een natuurlijke persoon door de beschikking waartegen beroep is ingesteld tot nietigverklaring slechts rechtstreeks geraakt, in de zin van artikel 230, vierde alinea, van het EG-verdrag, thans artikel 263, vierde alinea, van het VWEU, als de bestreden Unierechtelijke rechtshandeling rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie en voorts aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de Unierechtelijke regeling gebeurt zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden gesteld (zie onder meer arresten van het Hof van 5 mei 1998, C-404/96 P, Glencore Grain/Commissie, overweging 41; van 29 juni 2004, C-486/01 P, Front national/Parlement, overweging 34 (www.curia.europa.eu)). Gelet op deze rechtspraak is het zeer twijfelachtig dat [appellant sub 2], als omwonende van GAE, bij het Gerecht van de Europese Unie ontvankelijk zou zijn verklaard indien hij bij dit Gerecht was opgekomen tegen de beschikking van de Commissie van 19 november 2009. Daarbij neemt de Afdeling in overweging dat de beschikking van de Commissie van 19 november 2009 geen rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van [appellant sub 2]. Uit overweging 48 van het arrest van het Hof van 8 maart 2007 (C-441/05, Roquette, (www.curia.europa.eu)) blijkt dat de geldigheid van een Unierechtelijke rechtshandeling in een nationale procedure reeds aan de orde kan worden gesteld, indien niet kan worden geconcludeerd dat betrokkene zonder twijfel een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 van het EG-Verdrag, dan wel artikel 263 van het VWEU had kunnen instellen. Nu de Afdeling van oordeel is dat het zeer twijfelachtig is dat [appellant sub 2] rechtstreeks in beroep kon komen tegen de beschikking, zal de Afdeling zelf onderzoeken of de beschikking geldig is. [Appellant sub 2] is ten eerste van oordeel dat er een aantal onjuistheden zit in het gedeelte van de beschikking dat betrekking heeft op de vraag of Nederland, door de staatsteun in kwestie tot uitvoering te brengen, heeft gehandeld in strijd met artikel 108, derde lid van het VWEU. Nu de conclusie van de Commissie, zoals verwoord in punt 60 van de beschikking, is dat Nederland haar aanmeldingsplicht in de onderhavige zaak heeft geschonden - en deze conclusie op dit punt het standpunt van [appellant sub 2] bevestigt -, ziet de Afdeling geen aanleiding op de in dat verband door [appellant sub 2] aangevoerde punten nader in te gaan. Ten tweede is [appellant sub 2] van oordeel dat de Commissie onvolledig en onjuist is geïnformeerd ten aanzien van nut en noodzaak van de baanverlenging zodat de Commissie geen juist oordeel kon geven over de verenigbaarheid, overeenkomstig artikel 107, derde lid onder c van het VWEU, van de alsnog aangemelde overheidssubsidies. Zoals in 2.3.1. is overwogen, zijn in de uitspraak van 11 juni 2008, nr. 200603116/1, onder meer de beroepsgronden met betrekking tot nut en noodzaak beoordeeld. [Appellant sub 2] heeft in de onderhavige procedure geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd, zodat de Afdeling in de onderhavige procedure geen aanleiding ziet op dit punt thans anders te oordelen, dan wel de Commissie opnieuw om informatie te vragen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 2] met hetgeen hij heeft aangevoerd naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de beschikking is gebaseerd op zodanig onjuiste informatie dat de Commissie zich niet daarop heeft kunnen baseren. In de enkele stelling van [appellant sub 3] dat de Nederlandse autoriteiten de Commissie op belangrijke punten onvolledig, eenzijdig en onjuist hebben geïnformeerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding aan de geldigheid van de beschikking van de Commissie van 19 november 2009 te twijfelen, zodat in dit geval geen aanleiding bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen. Bron: OpMaat_Omgevingsrecht


« Terug naar overzicht nieuws

Nieuwsbrief

Vul hieronder uw e-mailadres in en wij informeren u over de ontwikkelingen op ScherpinBestuursrecht.

      Social Media

Image3
                                                       Scherp in Bestuursrecht

Image1

Image2

OpMaat_Mobiel
app met de Nederlandse wet- en regelgeving


Tip van de maand

Bestuursrecht en ICT   
 
Image8