A.H. Khan tegen Verenigd Koninkrijk, EHRM arrest 20 december 2011, nr. 6222/10
Migratie en naturalisatie.02-02-2012
Klager bezit de Pakistaanse nationaliteit en is in 191 geboren in Pakistan. Hij is de oudere broer van de klager in zaak Khan tegen Verenigd Koninkrijk, zaak nr 47486/06, arrest van 12 januari 2010.
Klager is in 1978 met zijn familie verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk alwaar hij rechtmatig heeft verbleven. Voor zijn uitzetting is klager tweemaal teruggekeerd naar Pakistan en is hij getrouwd in Pakistan. De moeder van klager en andere familieleden wonen in het Verenigd Koninkrijk en hebben inmiddels de Britse nationaliteit. Klager heeft zes kinderen (tussen 12 en 17 jaar), uit twee relaties, die in het Verenigd Koninkrijk verblijven. Hij heeft verschillende misdrijven gepleegd, waaronder beroving, waarvoor hij vijf jaar gevangenisstraf heeft gehad. Vanwege de openbare orde delicten die klager heeft gepleegd, hebben de Britse autoriteiten klager op 15 februari 2010 uitgezet naar Pakistan. Hij stelt in de procedure bij het EHRM dat de uitzetting naar Pakistan in strijd is met artikel 8 EVRM. Van belang is dat het EHRM op 12 februari 2010 een interim measure op grond van Rule 39 heeft afgewezen in deze zaak. Het EHRM geeft aan dat beoordeelt dient te worden of de uitzetting naar Pakistan niet in strijd is met artikel 8 EVRM aan de hand van de belangenafweging zoals uiteen is gezet in de zaak Uner tegen Nederland.
Het EHRM weegt zwaar mee dat klager zware misdrijven heeft gepleegd in het Verenigd Koninkrijk. Zo is klager veroordeeld voor vijf jaar gevangenisstraf wegens beroving. Ook is van belang dat hij een lange voorgeschiedenis heeft van crimineel gedrag (diefstal en verkrachting ten tijde van minderjarigheid) en heeft hij na de veroordeling die heeft geleid tot de uitzettingsbeslissing van de Britse autoriteiten weer opnieuw verkeersdelicten gepleegd. Ten aanzien van de zes minderjarige kinderen, allen in het bezit van de Britse nationaliteit, overweegt het EHRM dat klager vanaf 2000 veelal niet meer hebben gezien vanwege zijn gevangenisstraf. Ook is het EHRM van oordeel dat klager geen positieve invloed op hen had. Vier van de zes kinderen hadden in een register van de social service een risico aantekening staan. Gelet hierop meent het EHRM dat het niet in het belang van de kinderen is dat klager bij hen verblijft. Ook is volgens het EHRM van belang dat klager met de twee vrouwen, beiden met de Britse nationaliteit, met wie hij kinderen heeft geen substantieel contact heeft. Beide vrouwen hebben klager niet gevolgd naar Pakistan. Verder blijkt klager getrouwd te zijn in Pakistan en het EHRM gaat ervan uit dat dit huwelijk nog bestaat.
Hoewel klager sterke banden heeft met het Verenigd Koninkrijk, wijst het EHRM op dat klager verschillende malen Pakistan heeft bezocht. Ook is hij getrouwd met een vrouw in Pakistan. Hieruit blijkt dat hij bepaalde banden heeft behouden met Pakistan.
Het EHRM komt tot de conclusie dat het gevaar van de openbare orde de doorslag dient te hebben in de belangenafweging en meent dat de uitzetting van klager naar Pakistan niet in strijd is met artikel 8 EVRM.
Volledig bericht
ECHR - nr. 6222/10
(Bron: Nieuwsberichten Migratierecht.nl 2012/103)
« Terug naar overzicht nieuws



