Heroverweging, ABRvS 25 januari 2012, zaaknummer...
03-02-2012
Appellante betoogt in haar brief van 20 mei 2011 dat het college ten onrechte de bouwvergunning alsnog in bezwaar heeft geweigerd, nu het niet heeft bezien en besloten of verlening daarvan mogelijk zou zijn geweest door middel van een ontheffing van het bestemmingsplan, dan wel het nemen van een projectbesluit. Het betoog slaagt. Het college heeft bij het nemen van het besluit op bezwaar uitsluitend bezien of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft echter verzuimd na te gaan of ingevolge art. 46, lid 3 Woningwet ontheffing van het bestemmingsplan had kunnen worden verleend, dan wel een projectbesluit had kunnen worden genomen. Gelet hierop komt het besluit op bezwaar van 21 april 2011 wegens strijd met art. 46, lid 3 Woningwet en art. 7:11, lid 1Awb voor vernietiging in aanmerking.
(Bron: PB-Nieuws 2012/4)
A.H. Khan tegen Verenigd Koninkrijk, EHRM...
02-02-2012
Klager bezit de Pakistaanse nationaliteit en is in 191 geboren in Pakistan. Hij is de oudere broer van de klager in zaak Khan tegen Verenigd Koninkrijk, zaak nr 47486/06, arrest van 12 januari 2010.
Klager is in 1978 met zijn familie verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk alwaar hij rechtmatig heeft verbleven. Voor zijn uitzetting is klager tweemaal teruggekeerd naar Pakistan en is hij getrouwd in Pakistan. De moeder van klager en andere familieleden wonen in het Verenigd Koninkrijk en hebben inmiddels de Britse nationaliteit. Klager heeft zes kinderen (tussen 12 en 17 jaar), uit twee relaties, die in het Verenigd Koninkrijk verblijven. Hij heeft verschillende misdrijven gepleegd, waaronder beroving, waarvoor hij vijf jaar gevangenisstraf heeft gehad. Vanwege de openbare orde delicten die klager heeft gepleegd, hebben de Britse autoriteiten klager op 15 februari 2010 uitgezet naar Pakistan. Hij stelt in de procedure bij het EHRM dat de uitzetting naar Pakistan in strijd is met artikel 8 EVRM. Van belang is dat het EHRM op 12 februari 2010 een interim measure op grond van Rule 39 heeft afgewezen in deze zaak. Het EHRM geeft aan dat beoordeelt dient te worden of de uitzetting naar Pakistan niet in strijd is met artikel 8 EVRM aan de hand van de belangenafweging zoals uiteen is gezet in de zaak Uner tegen Nederland.
Het EHRM weegt zwaar mee dat klager zware misdrijven heeft gepleegd in het Verenigd Koninkrijk. Zo is klager veroordeeld voor vijf jaar gevangenisstraf wegens beroving. Ook is van belang dat hij een lange voorgeschiedenis heeft van crimineel gedrag (diefstal en verkrachting ten tijde van minderjarigheid) en heeft hij na de veroordeling die heeft geleid tot de uitzettingsbeslissing van de Britse autoriteiten weer opnieuw verkeersdelicten gepleegd. Ten aanzien van de zes minderjarige kinderen, allen in het bezit van de Britse nationaliteit, overweegt het EHRM dat klager vanaf 2000 veelal niet meer hebben gezien vanwege zijn gevangenisstraf. Ook is het EHRM van oordeel dat klager geen positieve invloed op hen had. Vier van de zes kinderen hadden in een register van de social service een risico aantekening staan. Gelet hierop meent het EHRM dat het niet in het belang van de kinderen is dat klager bij hen verblijft. Ook is volgens het EHRM van belang dat klager met de twee vrouwen, beiden met de Britse nationaliteit, met wie hij kinderen heeft geen substantieel contact heeft. Beide vrouwen hebben klager niet gevolgd naar Pakistan. Verder blijkt klager getrouwd te zijn in Pakistan en het EHRM gaat ervan uit dat dit huwelijk nog bestaat.
Hoewel klager sterke banden heeft met het Verenigd Koninkrijk, wijst het EHRM op dat klager verschillende malen Pakistan heeft bezocht. Ook is hij getrouwd met een vrouw in Pakistan. Hieruit blijkt dat hij bepaalde banden heeft behouden met Pakistan.
Het EHRM komt tot de conclusie dat het gevaar van de openbare orde de doorslag dient te hebben in de belangenafweging en meent dat de uitzetting van klager naar Pakistan niet in strijd is met artikel 8 EVRM.
Volledig bericht
<a href="http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/view.asp?item=1&portal=hbkm&action=html&highlight=6222/10&sessionid=85307302&skin=hudoc-en">ECHR - nr. 6222/10
(Bron: Nieuwsberichten Migratierecht.nl 2012/103)
Legalloyd: "Advocaten en klanten zijn klaar...
02-02-2012
Je zou kunnen denken dat Philip de Roos (29) met zijn jeugdige voorkomen net zijn rechtenstudie heeft afgemaakt. Maar De Roos heeft al een hele carrière achter de rug. Hij is al een paar jaar advocaat. Ooit bij Stibbe begonnen, maar hij voert tegenwoordig een eigen praktijk. Hij doet van alles, creatief meedenken bij communicatiebureau Huyskens Communications over een beter spoorwegnetwerk bijvoorbeeld. Zijn belangrijkste project is echter Legalloyd, een start-up die volgens een recent persbericht een 'internetrevolutie in de advocatuur' gaat worden.
Door Juriaan Mensch
De Roos, één van drie oprichters naast Kris van Driem en Leopold van Oosten, klinkt wat bescheidener: "Wij zijn complementair aan de bestaande advocatenpraktijk. Ik hoop dat het leven van de advocaten die zich bij ons aansluiten makkelijker wordt, omdat ze minder tijd hoeven te stoppen in business development en papierwerk. Daarnaast hoop ik dat het leven van ondernemers makkelijker wordt, omdat de tijd die je kwijt bent aan het zoeken naar een advocaat - de meetings, erheen rijden - minder wordt."
Dat laatste probleem ondervond De Roos als ondernemer zelf. Hij heeft nog een nevenproject, meer off-beat: hij verkoopt Nederlandse stadsfietsen in Dublin, de stad waar hij bijna twee jaar op het hoofdkantoor van Google in sales werkte. Bij het opzetten van zijn Ierse fietsproject zocht De Roos advies van een moderne Ierse advocaat. "Die vond ik niet. Ik kwam steeds uit bij advocaten van de grotere kantoren, en daar kom je niet binnen als kleine ondernemer. Op dat moment had ik er best wat geld voor over gehad om even een uur te kunnen bellen. Gewoon voor een snel en praktisch advies."
De keuze voor een goede en betrouwbare fiets is eigenlijk niet veel anders dan kiezen voor een goede juridische adviseur, volgens De Roos. Met dit verschil: op internet vind je eenvoudig ervaringen van honderden gebruikers van vele verschillende fietsmodellen en merken, en kun je, eenmaal overtuigd, direct een bestelling plaatsen. Bij de inkoop van de diensten van een advocaat kan dat nog steeds niet.
"Referrals via bestaande netwerken in de advocatuur leiden niet per se naar de beste advocaat," zegt De Roos. "Het zou mooi zijn als die mensen met een probleem makkelijk terecht komen bij de juridisch expert. Dat gaat echter lastig nu. Je weet niet wie dat zijn, hoe je ze vindt en wat hun kwaliteit is." Legalloyd is een serieuze poging om die inefficiëntie in afstemming van vraag en aanbod en gebrek aan transparantie in de markt voor juridische dienstverlening de wereld uit te helpen.
De website is nu nog in bèta - testfase voor digibeten. Dat label gaat er binnen een jaar vanaf hoopt De Roos, nadat met hulp van de ongeveer vijftig aangesloten advocaten in het netwerk het systeem wordt doorontwikkeld. Snel het netwerk uitbreiden is daarom nu even niet aan de orde. Eerst moet het goed werken.
Drie eigenschappen
Het type advocaat dat Legalloyd in het netwerk wil hebben moet voldoen aan drie eigenschappen volgens De Roos: "De eerste is juridische kwaliteit. Er moet een substantiële juridische ervaring zijn, bijvoorbeeld zeven of acht jaar werkzaam bij een groot kantoor. De tweede is industry focus. Veel advocaten zeggen dat ze de taal van de cliënt spreken, maar niet allemaal doen ze het. De onze wel. Ze hebben bijvoorbeeld in-house gewerkt bij een bedrijf, of ze doen niets anders dan procederen binnen een bepaalde industrie. De derde is dat het allemaal moderne advocaten zijn. Advocaten die open staan voor continue feedback, transparant willen zijn over hun prijs, en door hun peer group gezien worden als een firm net als zij zelf: boutique."
De Roos schat het totale aantal advocaten dat aan het Legalloyd-profiel voldoet op 500 binnen Nederland. Vooralsnog bestaat het netwerk vooral uit advocaten vanuit de Amsterdamse niche-scene, vrijwel allen opgegroeid binnen de muren van de grote namen aan de Zuidas. Een kleine greep uit de kantoren waar de aangesloten advocaten uit afkomstig zijn: Workx, Haseborg & Zillinger, Boekx en enkele eenpitters.
<a href="http://www.advocatie.nl/page?1,5507/management/innovatie/legalloyd_advocaten_en_klanten_zijn_klaar_voor_nieuwe_advocatuur">lees verder op www.advocatie.nl
Voor aanvullende vergoeding van proceskosten...
01-02-2012
Bij besluit van 29 april 2009 hebben B&W van Schermer een verzoek van [appellant sub 1] om schadevergoeding afgewezen. In hoger beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt.
Het college betoogt dat het ten onrechte door de rechtbank is veroordeeld tot betaling van een aanvullende vergoeding van € 10.000,00 in verband met de hoge omvang van de daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand die bij [appellant sub 1] zijn opgekomen in de beroepsprocedures met betrekking tot het dwangsombesluit. Daartoe voert het college aan dat de rechtbank hiermee het exclusieve karakter van [%WR Algemene wet bestuursrecht ART 8:75:artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht%] (hierna: de Awb) heeft miskend.
Dat betoog treft doel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 17 oktober 2007 in zaak nr. 200700778/1, NJB 2007, 2095), moet uit de plaats en strekking van dit artikel worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van een beroep heeft gemaakt. Voor zover aan het verzoek om schadevergoeding ten grondslag is gelegd dat in de onderscheiden beroepsprocedures door de rechtbank niet de volledige bedragen aan proceskosten voor vergoeding in aanmerking zijn gebracht, laat dat derhalve onverlet dat, gelet op de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling zoals neergelegd in [%WR Algemene wet bestuursrecht ART 8:75:artikel 8:75 van de Awb%] en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van een zuiver schadebesluit geen plaats is, zodat het college het verzoek in zoverre terecht heeft afgewezen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte voor de proceskosten in bezwaar en beroep met betrekking tot het schadebesluit een wegingsfactor 1,5 heeft gehanteerd. Daartoe voert het college aan dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die het toepassen van die wegingsfactor rechtvaardigen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 24 november 2010 in zaak nr. 201002518/1/H3, LJN: BO4857), behoort de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep in beginsel tot de categorie 'gemiddeld' met wegingsfactor 1, tenzij bijzondere omstandigheden rechtvaardigen om hiervan af te wijken. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Derhalve heeft de rechtbank ten onrechte wegingsfactor 1,5 toegepast. Het betoog slaagt.
Bron: OpMaat_Omgevingsrecht
Toepassing 6:13 Awb , ABRvS 25 januari 2012,...
01-02-2012
Tegen de vaststelling van een bestemmingsplan is beroep ingesteld. De gemeenteraad stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat de beroepsgrond ten aanzien van het verzoek tot verruiming van het bouwvlak in beroep voor het eerst wordt aangevoerd. De Afdeling overweegt dat ingevolge art. 8.2, lid 1 Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met art. 6:13 Awb door een belanghebbende slechts beroep kan worden ingesteld tegen het besluit dat vaststelling van een bestemmingsplan voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Nu appellant in de zienswijze verzocht heeft om de aanduiding “intensieve veehouderij” op zijn perceel van toepassing te verklaren, hetgeen een wijziging van de bedrijfsvoering impliceert, acht de Afdeling ook de beroepsgrond ten aanzien van het verzoek tot verruiming van het bouwvlak, in verband met omzetting van het bedrijf, ontvankelijk.
(Bron: PB-Nieuws 2012/4)
Onderzoeks- en expertisecentrum voor kinderen...
31-01-2012
Margrite Kalverboer, orthopedagoog en universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen, heeft het geld bij elkaar voor de oprichting van een onderzoeks- en expertisecentrum voor kinderen en vreemdelingenrecht. "Als we met ons werk iets willen bereiken, dan is een lange adem vereist. Met dit geld kunnen we het gevecht om erkenning voor de rechten van kinderen in het asielbeleid aangaan." Dat meldde dagblad Trouw op 23 januari.
Kalverboer, naast orthopedagoog ook juriste, doet sinds 2004 onderzoek naar de ontwikkeling van asielkinderen. Rapportages die zij opstelde met haar collega’s Elianne Zijlstra en Mijntje ten Brummelaar speelden regelmatig een rol in asielaken van gezinnen met kinderen die in lange procedures ontwikkelingsstoornissen en trauma’s opliepen. Het drietal rapporteerde over Sahar en Mauro. Die praktijk werd steeds drukker. “We draaien nu productie, door al die rapportages is het onderzoek zelf een beetje stil komen te liggen. Er is nu geld om uit te breiden, waardoor er voor mij ook weer meer tijd vrijkomt voor de wetenschappelijke fundering van ons werk en om de methodiek voor het diagnostisch onderzoek van asielkinderen verder te ontwikkelen en goed vast te leggen.”
Kalverboer uit in het interview met Trouw scherpe kritiek op minister Leers en wijst op de zwakker juridische positie van kinderen in het vreemdelingenrecht: “Veel rechten die we voor Nederlandse kinderen de normaalste zaak van de wereld vinden, gelden dan ineens niet. In het strafrecht en civiel recht staat het belang van het kind altijd voorop, maar deze minister erkent gewoon openlijk dat hij het asielrecht belangrijker vindt dan de rechten van het kind. Dat hij liever blijft uitstralen dat onze grenzen dicht zijn, dat je hier niet welkom bent, dan dat je kijkt naar de trauma’s die kinderen door het lange wachten, de onzekerheid, de angst oplopen.”
Kalverboer put hoop uit gerechtelijke uitspraken in zaken waarin ze haar rapportages inbracht. De IND blijft echter het grote struikelblok: “Voor de rechtbank stelt de IND dat onze rapportages niet objectief, niet deskundig en wetenschappelijk zijn. We krijgen vaak het verwijt dat we voor een verblijfsvergunning pleiten. Dat klopt. Maar dat komt omdat we vooral worden ingezet in bijzonder schrijnende gevallen, door advocaten die echt schrikken van het leed bij kinderen en die het uiterste proberen om zo’n gezin te helpen.”
Links
<a href="http://www.trouw.nl/tr/nl/4492/Nederland/article/detail/3134488/2012/01/23/Ontwikkeling-van-jonge-asielzoekers-onder-de-loep.dhtml">Het artikel in Trouw – Ontwikkeling van jonge asielzoekers onder de loep
<a href="http://www.rug.nl/corporate/inbeeld/MKalverboer">Het curriculum vitae van Margrite Kalverboer
(Bron: Nieuwsberichten Migratierecht.nl 2012/77)
Bestemmingsplan en relativiteitsvereiste...
31-01-2012
Bij besluit van 1 november 2010 heeft de raad van de gemeente Best het bestemmingsplan "Molenstraat" vastgesteld. In beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt.
Ingevolge artikel 1.1, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met categorie 3, onder 3.1 van bijlage I van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op dit besluit.
Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, dat onderdeel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw, dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, blz. 49) kan worden afgeleid dat de wetgever met dit artikel de eis heeft willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.
[Appellant] voert bezwaren aan met betrekking tot externe veiligheid en trillinghinder in verband met een bestaande spoorlijn en gasleiding nabij de voorziene woningen en met betrekking tot de terinzagelegging met het ontwerpplan van een aantal rapporten over externe veiligheid en trillinghinder.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de met deze normen verbonden bezwaren geen betrekking hebben op het eigen perceel van [appellant] dat grenst aan het plangebied. Voorts heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft trillinghinder of externe veiligheidsrisico's gevolgen ondervindt van de door het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. De door [appellant] ingeroepen normen betreffen normen voor de bepaling van hetgeen een goede ruimtelijke ordening vereist uit een oogpunt van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuw op te richten woningen.
Het voorgaande en hetgeen de Afdeling in overweging 2.4.3 van haar uitspraak van 19 januari 2011, zaak nr. 201006426/1/R2 heeft overwogen, leidt de Afdeling tot het oordeel dat [appellant] zich niet op de in geding zijnde normen kan beroepen. Voor [appellant] gaat het immers om het belang dat het aan het plangebied grenzende perceel met het nummer [...] waarvan hij eigenaar is, gevrijwaard blijft van de invloed van woningbouw op de naastgelegen gronden. Wat er verder ook zij van die belangen in het licht van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, de in geding zijnde normen voor het voorkomen van trillinghinder en beperken van veiligheidsrisico's hebben niet de strekking die belangen te beschermen. Wat betreft de normen voor het beperken van veiligheidsrisico's verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 31 augustus 2011 in zaak nr. 201010852/1/R1. De Afdeling laat deze beroepsgronden, daargelaten of deze beroepsgronden zouden slagen, dan ook buiten beschouwing, nu artikel 1.9 van de Chw er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.
Dit geldt eveneens voor het aangevoerde met betrekking tot het vaststellen van hogere grenswaarden voor de toegestane geluidbelasting ter plaatse van de voorziene woningen. In dit verband verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 13 juli 2011 in zaak nr. 201008514/1/M3.
Bron: OpMaat_Omgevingsrecht
Bestemmingsplan en vooroverleg ten onrechte...
30-01-2012
Bij besluit van 25 maart 2010 heeft de raad van de gemeente Andijk, thans Medemblik, het bestemmingsplan "Woongebied Andijk, 1e partiële herziening" vastgesteld. In beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt.
GS van Noord-Holland brengen onder meer naar voren dat het plan in strijd met artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) tot stand is gekomen.
Ingevolge artikel 3.1.1, lid 1 van het Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg met die diensten van de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in geding zijn.
De raad heeft erkend dat het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1, lid 1 van het Bro niet heeft plaatsgevonden.
Gelet op artikel 3.1.1, lid 1 van het Bro is de raad in het kader van de bestemmingsplanprocedure verplicht overleg te voeren met de diensten van de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening. Uit hetgeen is weergegeven met betrekking tot de nota van toelichting omtrent deze bepaling, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 november 2010, in zaak nr. 200908901/1/T1/R1, volgt daaruit dat slechts bij hoge uitzondering, indien het duidelijk gaat om een herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, geen overleg zal hoeven plaats te vinden. Een dergelijke uitzondering doet zich in dit geval niet voor, aangezien het plan voorziet in de mogelijkheid om na uitwerking meer dan 200 woningen te realiseren. Het voorgaande klemt te meer nu het college in zijn besluit van 28 oktober 2008 goedkeuring heeft onthouden aan de plandelen die voorzagen in de bouw van 175 woningen in het gebied Molensloot. Voorts is niet gebleken dat het college te kennen heeft gegeven dat in dit geval geen overleg is vereist. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat overleg met de betrokken diensten van de provincie in dit geval ten onrechte achterwege is gelaten.
Met betrekking tot het verzoek van de raad ter zitting om dit gebrek te laten herstellen door toepassing te geven aan artikel 46, lid 6 van de Wet op de Raad van State, overweegt de Afdeling dat zij hiertoe geen aanleiding ziet. In dit verband wijst de Afdeling erop dat het college eveneens terecht heeft aangevoerd dat de raad in strijd met artikel 3.8, lid 4 van de Wro het besluit tot vaststelling van het plan ten onrechte niet onverwijld aan het college heeft gezonden waardoor het college de mogelijkheid is ontnomen om een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 van de Wro te geven. Het beroep van het college is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
Bron: OpMaat_Omgevingsrecht
Wijzigen subsidievaststelling en terugvordering,...
30-01-2012
In hoger beroep wordt betoogd dat het wijzigen van de subsidievaststelling en het terugvorderen van het te veel betaalde is gericht op leedtoevoeging en is aan te merken als een 'criminal charge' als bedoeld in artikel 6 EVRM. De Afdeling kan zich hierin onder verwijzing naar een uitspraak van 18 juli 2007, zaaknummer 200700547/1) niet vinden. Volgens de Afdeling vindt de gehanteerde bevoegdheid zijn grond in de omstandigheid dat niet is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichting dat de gesubsidieerde de gegevens verstrekt die nodig zijn voor een juiste toepassing van de regeling. Er bestaat dan ook volgens de Afdeling geen grond te beoordelen of met de terugvordering het uit artikel 6 EVRM voortvloeiende evenredigheidsbeginsel is geschonden.
(Bron: PB-Nieuws 2012/4)
Uitrijden drijfmest in Natura 200-gebied...
30-01-2012
Bij besluit van 8 juli 2010 hebben G van Noord-Holland geweigerd handhavend op te treden tegen het zonder een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 uitrijden en injecteren van drijfmest in het Natura 2000-gebied "Eilandspolder". In beroep oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer als volgt.
De Stichting heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen het zonder vergunning uitrijden of injecteren van drijfmest in het Natura 2000-gebied "Eilandspolder". Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren tegen de afwijzing van dat verzoek ongegrond verklaard, omdat het de handelingen als bestaand gebruik in de zin van artikel 19d, lid 3 van de Natuurbeschermingswet 1998 aanmerkt en derhalve niet vergunningplichtig acht.
De Stichting betoogt dat het uitrijden of injecteren van drijfmest in het gebied geen bestaand gebruik in de zin van de Natuurbeschermingswet 1998 is, omdat bemesting van het gebied na de kavelruil van eind oktober 2005 is toegenomen en geïntensiveerd.
Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat het zijn standpunt, dat het uitrijden van drijfmest in het gebied "Eilandspolder" bestaand gebruik is, heeft verlaten. Gelet hierop moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid.
Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling ziet geen aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Daarbij is in aanmerking genomen dat het uitrijden van drijfmest in het Natura 2000-gebied een activiteit is die de kwaliteit van het beschermde habitattype veenmosrietland kan verslechteren. Ingevolge [%WR Natuurbeschermingswet 1998ART 19d|artikel 19d, lid 1 van de Natuurbeschermingswet 1998%] is voor deze activiteit derhalve een vergunning nodig. Het standpunt van het college dat het niet voor de hand ligt en niet wenselijk is om bemesting op incidentele en individuele basis via vergunningverlening te reguleren, maakt dit niet anders. Door zonder vergunning drijfmest in het Natura 2000-gebied "Eilandspolder" uit te rijden, wordt gehandeld in strijd met [%WR Natuurbeschermingswet 1998ART 19d|artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 19985], zodat het college ter zake handhavend kan optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
Van concreet zicht op legalisatie is niet gebleken. Voor het uitrijden van drijfmest in het gebied is geen vergunning aangevraagd. De activiteit is voorts niet opgenomen in een ter inzage gelegd (ontwerp-)beheerplan of in een (concept-)programma ter vermindering van de stikstofdepositie (PAS), zodat er nog geen concreet zicht is op de toepasselijkheid van de in [%WR Natuurbeschermingswet 1998ART 19d|artikel 19d, lid 2 van de Nbw 1998%] en [%WR Natuurbeschermingswet 1998ART 19kh|artikel 19kh, lid 5 van de Natuurbeschermingswet 1998%] vermelde uitzonderingen. Ook voor het overige is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college mag weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden.
Bron: OpMaat_Omgevingsrecht



